- Knip zo zuinig als het kan, laat patronen, strepen en motieven mooi doorlopen.
- Naai de reserveknoop op een stukje karton en zet erbij van welk kledingstuk het
is.
- Bewaar naalden in een naalden boekje, zo raak je ze niet kwijt in het speldenkussen.
- De laatste rijgdraadjes verwijder je makkelijker met een pincet.
- Gebruik voor stof en papier altijd een andere schaar of rolmes.
- Het liefst alle patroondelen in dezelfde richting leggen, maar bij stoffen met
een vleug of dessin is het heel beslist noodzakelijk.
- Voorkom uitzakken van naden in rekstof door een recht bandje mee te naaien. De
zelfkant van voering kan hier ook voor gebruikt worden.
- Gebruik altijd een speciale naald, afgestemt op de stofsoort.
- Bij rekstof blijft de zoom rekbaar, als je hem naait met de tweelingnaald.
- Katoen, linnen en jeans altijd eerst wassen. Het kledingstuk zal dan niet meer
krimpen.
- Rokdelen die schuin uit de stof worden geknipt, tussen het werk door steeds ophangen
aan een kleerhanger, om te voorkomen dat hij later in punten gaat hangen.